Bloedonderzoeken

1.   Waar wordt uw bloed op onderzocht?
2.   Bloedgroep en rhesus(D)-factor. 
3.   Rhesus(D)-factor en feiten
4.   Andere antistoffen (irregulaire antistoffen)
5.   Hemoglobinegehalde (ijzer) en MCV
6.   Hepatitis B
7.   Lues (syfillis)
8.   HIV
9.   Rubella (rodehond)
10. Glucose (suikerspiegel)
11. Toxoplasmose

1.   Waar wordt je bloed op onderzocht?

  1. Bloedgroep en Rhesus(D)-factor
  2. Andere antistoffen (irregulaire antistoffen)
  3. Hemoglobinegehalte (ijzer) en MCV
  4. Hepatitis B
  5. Lues (Syfillis)
  6. HIV
  7. Rubella (rode hond)
  8. Glucose (suikergehalte)
  9. Toxoplasmose

2.   Bloedgroep en rhesus(D)-factor.

Het is van belang om je bloedgroep te weten indien je onverhoopt een bloedtransfusie nodig heeft.  De rhesus factor is een stof die in het bloed aawezig kan zijn.  Als je deze stof in je bloed hebt, ben je rhesus(D)-positief.  Heb je deze stof niet dan ben je rhesus(D)-negatief.  Dit is een kwestie van erfelijkheid en heeft verder niets te zeggen.   Ongeveer 16% van de zwangere vrouwen is rhesus(D)-negatief.  Deze vrouwen hebben extra aandacht nodig om eventuele complicaties te voorkomen in het geval de baby rhesus(D)-positief is.  Tijdens de zwangerschap is er een kleine kans dat bloed van de baby in de bloedbaan van de moeder komt.  Bij de geboorte is deze kans zelfs groot.  Komt er nu bloed van een rhesus(D)-positieve baby in de bloedbaan van een rhesus(D)-negatieve moeder, dan kan de moeder afweerstoffen tegen dat bloed gaan maken.  Deze afweerstoffen kunnen het bloed van de baby gaan afbreken, waardoor deze baby of een volgende baby bij een volgende zwangerschap bloedarmoede krijgt.  Gelukkig bestaat er een preventieve behandeling om dit te voorkomen. 

3.   Rhesus(D)-factor en feiten

  • Als je rhesus(D)-positief bent, is geen behandeling nodig.  Je lichaam zal dan geen antistoffen aanmaken.
  • Ben je rhesus(D)-negatief?  Dan controleren we rond 30 weken zwangerschap nogmaals je bloed op eventuele rhesus(D)-antistoffen

We kijken dan of je lichaam bezig is met het maken van afweerstoffen die het bloed van de baby kunnen afbreken.  Dit is gelukkig slechts in enkele gevallen zo.  Zodra dit voorkomt, komt er verder onderzoek.   Tevens krijgt iedereen die rhesus(D)-negatief is, en nog niet eerder is bevallen van een levend kind, een injectie met antirhesus(D)-immunoglobuline.  Deze injectie is preventief en verkleind de kans dat je zelf antistoffen gaat maken die gevaarlijk zijn voor de baby.  Na de bevalling wordt, als je rhesus(D)-negatief bent, de bloedgroep van de baby gecontroleerd.  Hiervoor wordt bloed uit de navelstreng genomen.  Als jullie kind rhesus(D)-positief is, krijg je binnen 48 uur (nog) een injectie met antirhesus(D)-immunoglobuline toegediend.  Daardoor wordt de kans dat je lichaam afweerstoffen gaat maken nihil.  Voor de baby die nu geboren is, is dit niet meer van belang.  Maar het is wel belangrijk als je later opnieuw zwanger wordt van een rhesus(D)-positief kind.

4.   Andere antistoffen (irregulaire antistoffen)

Ongeacht welke bloedgroep je hebt, bestaat het risico dat je lichaam andere antistoffen aanmaakt.  Het is ook mogelijk dat je andere antistoffen hebt aangemaakt bij een eerdere zwangerschap of bij een bloedtransfusie.  Deze andere antistoffen kunnen de gezondheid van je baby in gevaar brengen.  Als deze antistoffen in je bloed worden gevonden, wordt je bloed verder onderzocht totdat duidelijk is om welke antistoffen het precies gaat.  De vroedvrouw of gynaecoloog zal met je bespreken wat er verder gedaan moet worden.

5.   Hemoglobinegehalte (ijzer) en MCV

Met het onderzoek naar het hemoglobinegehalte (Hb) van rode bloedcellen wordt nagegaan of je bloedarmoede hebt.  Dit onderzoek doe ik als je 30 weken zwanger bent nog een keer.  In sommige gevallen wordt dit vaker gecontroleerd gedurende de zwangerschap.  Bloedarmoede is meestal goed te behandelen en niet schadelijk voor het kind.  In de volksmond wordt dit ook wel de  controle van het ijzergehalte genoemd.  MCV is een waarde die we bepalen omdat deze nauw samenhangt met het Hb gehalte.

6.   Hepatitis B

Dit is een ziekte waarbij infectie van de lever optreedt door het hepatitis B-virus.  Er kunnen ziekteverschijnselen optreden, maar de ziekte kan ook onopgemerkt verlopen.  Na de infectie blijft een deel van de mensen het hepatitis B-virus bij zich dragen en zij kunnen andere daarmee besmetten.  Als je het hepatitis B-virus bij je draagt, ondervindt je baby hiervan tijdens de zwangerschap geen schade, maar tijdens de geboorte kan de baby alsnog in aanraking komen met het virus en er mee geïnfecteerd worden.  Als je drager bent zal de vroedvrouw met jouw bespreken hoe je de kans op besmetting van je omgeving en jullie baby zo klein mogelijk kunt houden.  Kinderen van draagsters van het hepatitis B-virus zullen na de geboorte een vaccinatie toegedient krijgen.

7.   Lues (syfillis)

Lues is een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) die iemand ongemerkt kan oplopen.  In het begin van de zwangerschap beschermt de placenta het kind nog tegen deze ziekte.  Later kan het kind ook geïnfecteerd worden.  De ziekte moet daarom zo vroeg mogelijk in de zwangerschap behandeld worden.  Als uit het bloedonderzoek blijkt dat je lues hebt, dan wordt je doorverwezen  naar de gynaecoloog en krijg je zo spoedig moglijk antibiotica.

8.   HIV

HIV is een virus dat de  ziekte aids kan veroorzaken, waardoor het afweersysteem wordt aangetast.  Een zwangere vrouw die geïnfecteerd is met hiv, kan dit virus overdragen op haar baby.  Om dit te voorkomen, is het zinvol om aan het begin van de zwangerschap een hiv test te doen.  Hierdoor is het mogelijk om snel een medische behandeling te starten en de overdracht van hiv op de baby te minimaliseren.

9.   Rubella (rodehond)

Rodehond is als kinderziekte tamelijk onschuldig.  Voor een ongeboren baby is een rodehond infectie echter gevaarlijk.  In de eerste drie maanden van de zwangerschap en rond de geboorte is de kans op besmetting groot.  Een ongeboren kind met rodehond kan aangeboren afwijkingen ontwikkelen.  Sinds de vaccinaties zijn ingevoerd komt rodehond nog maar weinig voor in België en worden door deze ziekte nog maar zelden gehandicapte kinderen geboren.  In het begin van de zwangerschap wordt gecontroleerd of je genoeg antistoffen hebt tegen het rodehond virus.  Wanneer je weinig of geen antistoffen hebt kunnen we hier tijdens de zwangerschap niet veel aan doen.  Wel is het verstandig om je zes weken na de bevalling dan alsnog te laten vaccineren.

10.  Glucose (suikergehalte)

Zwangerschapsdiabetes houdt gevaren in voor het kind vóór en na de bevalling.  Door ophoping van vetten (vorm van opslag van glucose) neemt het gewicht van de baby sterk toe.  Bovendien is er een risico op hypoglycemie (te lage bloedglucosespiegel) de eerste levensdagen, wat nefast kan zijn voor de hersenen van de baby.  De hersenen hebben immers voortdurend suiker nodig.  Voorts lopen die kinderen ook een hoger risico om later zelf diabetes te krijgen dan kinderen van moeders zonder diabetes.
Het suikergehalte wordt in het begin van de zwangerschap gecontroleerd en rond 26-28 weken via een glucose challenge test.  Er wordt dan bloed afgenomen, 1 uur na de inname van 50gr glucose.  Zo kan men zien hoe het lichaam omgaat met een dosis suiker.

11.  Toxoplasmose

Er wordt gecontroleerd of je al antistoffen hebt tegen de toxoplasmose parasiet.   Mocht dit zo zijn dan is er bescherming voor de rest van je leven tegen mogelijke besmetting.  Indien dit niet het geval is moet je rekening houden met de volgende zaken.  De toxoplasmose parasiet kan voorkomen in rauw vlees dus je moet je vlees goed doorbakken.  Ook filet américain is gemaakt van rauw vlees.  Tevens kan de toxoplasmose parasiet voorkomen in ontlasting van jonge katten.  Probeer daarom contact met kattenontlasting te voorkomen.  Laat liever een kattenbak door iemand anders schoonmaken, werk in de tuin met handschoenen aan en was groenten en fruit.

 

 

<< Terug

Webdesign & Hosting by Data-Art